Door het stil liggen had Maria het koud gekregen. Rillend trok ze de extra deken over zich heen en gleed weg in een onrustige slaap. Nerveuze trekkingen om haar mond en onregelmatige bewegingen achter haar gesloten oogleden verrieden dat zij droomde.
Zij bevond zich op een vinkenbaan, zo één die zij in de buurt van Ulm wel eens had bezocht, samen met haar zuter Agatha, die er de vogelaar kende en de vinken had gekocht voor de avondmaaltijd. Het was een heldere ochtend in een onbestemd jaargetijde. Midden op een kortgemaaid veldje zat zij op haar knieën, de bovenbenen gespreid, haar billen rustend op haar voeten, die geketend waren aan een ijzeren pin, vast verzonken in de aarde. Gekleed in haar zondagse rok en haar rode lijfje met de witte rijgveters boog zij haar bovenlichaam achterwaarts. Haar blanke boezem was hoog opgebonden en gezwollen als de borst van een kropdoffer, de boezemstrook ontbrak. Wiegend bewoog zij haar bovenlichaam beurtelings naar rechts en naar links, waarbij ze met haar gebogen armen, de ellebogen naar buiten gericht, vogelachtig fladderde. Haar weelderige rode lokken golfden vrij langs nek en rug. In wat het meest leek op de paringsdans van een struisvogel etaleerde ze haar snoeptafel voor de hoog overvliegende vogels. Terwijl ze met beide handen, smachtend, het hoofd in de nek, haar nering nog wat opduwde, tuitten zich haar lippen in een lokroep, die zoet en gorgelend uit haar keel rees. Rechts van haar bakende een houtwal de baan af van de omringende velden, links waren dode takken in een lange rij in de grond gestoken en aan het einde van de baan stonden wat verspreide bosschages op een heuvel. Om Maria heen in het korte gras vruchten en graan, gestrooid uit behaarde klauw. De netten lagen gespannen en slagklaar, de lijnen, aangetrokken, leidden naar de hut, waar de zwarte gehoornde door het kijkgat loerde.
En zij werd gezien. De dansende toverbal miste zijn uitwerking niet. Rechte, doelbewuste lijnen werden daarboven afgebroken, omgebogen, cirkels getrokken; zij werd middelpunt en doel. De daling werd ingezet. Twaalf zwarte vogels vielen uit het winderig zwerk, krasten, buitelden, riepen. Maria's lichaam zwiepte in nog heftiger cadans, haar stem kirde nog zwoeler. Plotseling waren ze daar, de twaalf kraaien, tastbaar in de takken van de houtwal, met glimmende veren, paarsgroene weerschijn, beluste blik, grijpklare klauwen en brutale snavels. Geen enkel gerucht klonk uit de hut, maar de touwen werden ongemerkt tot het uiterste aangespannen. De eerste vogel streek op 't veldje neer. Argwanend nog stapte hij op het lekkers af, week met een vliegsprongetje zijwaarts, kwam nog eens nader, steeds zichtend om tenslotte met gestrekte hals een eerste hap te verschalken. Snel weg ermee, maar een tweede vogel volgde en nog een. Al snel was Maria omringd door gulzig happende beesten, die hun nek links- en rechtsom bogen om de buit te verkroppen.


Illustratie: Piet Verberne

Tsjak! Een ruk aan het touw en de twee slagnetten, die arglistig in de greppels aan weerszijden van de baan waren opgevouwen, sloegen toe. Tumult, gekrijs, het slaan van vleugels, veren vlogen in het rond, slagpennen raakten verward in het net, koppen wrongen zich door de mazen, een halve staart bleef achter in de worsteling. Een kille lach uit de hut. Maria verstijfde in haar baltshouding. Plotseling barstten de vogellijven uit hun veren, groeiden, zwollen op, kregen handen, voeten, hoofden. Twaalf mannen rezen op, scheurden het net aan flarden en zweefden weldra boven het veld. Maria kende hen. Daar was de dikke Ott, Helmenstorffer klapwiekte om haar heen. Zinck, Schwarz en Zürn zweefden daarboven! De hele troep maakte zich los en ontsnapte, waar zij geketend achterbleef en de laatste veren zag neerdalen. Scheldend en tierend vlogen de mannen in cirkels om haar hoofd, wijzend, dreigend, hun vuisten ballend. "Liederlijke teef, godvergeten hoer, die je bent", hoorde zij roepen, terwijl ze werd bevuild door dikke klodders stinkende vogelmest. Ott maakte jolig zijn broekklep los en piste haar in duikvlucht recht in het gezicht. "Een kostelijke grap, een kostelijke grap!" riep hij lachend en steeg op in een sierlijke boog. Het werd rustiger, de dirkels verwijdden zich en de mannen trokken weg, maar Flachs zwenkte af, scheerde in een laatste lus over haar hoofd en kraste: "Gghaa, één van ons zal jou verraden!" Stilte, alleen de wind knisperde in de dode takken. De zwarte schaduw trad hanig buiten de hut. Een ijskoude tocht blies Maria de haren in het gezicht. Een klauw groef zich in haar schouder. Toen zij zich stijf van angst omdraaide keek ze in twee roodgloeiende ogen ...
"Aaaohh!", een angstschreeuw vulde de kale cel en Maria schoot wakker door haar eigen stem. Bevend kwam zij overeind, sloeg zich de handen voor het gezicht. Zij ademde zwaar, haar hart bonkte in haar keel. Plotseling zag ze een beweging voor het raam, buiten, achter de tralies. Geschuif tegen de muur. Gedempte stemmen:
"Hoorde je d'r schreeuwen? Wat een beest!"
"Kan je wat zien?"
"Nee, 't is te donker."
Twee handen hielden de tralies omklemd, een hoofd waarvan ze de gelaatstrekken niet kon onderscheiden.
"Pas op, ik spring", verstond Maria, gevolgd door een bons van voeten op het plaveisel.
Heimelijk lachen, fluisteren en het geluid van wegrennende klompenvoeten brachten Maria terug in de werkelijkheid. Een koude rilling voer haar door de leden. De cel ... donker.
Stemmen uit het raadhuis. Buiten de wind in de steeg. Ze zuchtte diep, ging weer liggen en draaide zich met haar gezicht naar de muur.

 
All Rights Reserved 2008.